Auteur: Arnoud Oostveen

  • Corona: RIVM Rapport van 14 juni 2020

    Corona: RIVM Rapport van 14 juni 2020

     

    Het RIVM publiceerde op 14 juni 2020 haar meest recente rapport omtrent Covid-19. Als cijferliefhebber ben ik er eens ingedoken.

    Zie pagina 7 van het rapport:

    5.707 / 6.059 = 94,2% van de overledenen is 65+

    5.376 / 6.059 = 88,7% van de overledenen is 70+

    4.751 / 6.059 = 78,4% van de overledenen is 75+

    3.752 / 6.059 = 61,9% van de overledenen is 80+

    Laat het eens op u inwerken. Van alle actieve mensen (tot 65 jaar) in Nederland zijn er slechts 352 mensen getroffen door Covid-19 met dodelijke afloop.

    Op pagina 10 van het rapport staat dat in 10,2% van die gevallen géén sprake is van onderliggende aandoeningen.

    Ofwel van alle gezonde en actieve mensen in Nederland zijn er slechts 36 mensen overleden door Covid-19.

    Voor deze groep gezonde, actieve mensen is de kans op het winnen van een prijs in de staatsloterij, of het overlijden door een verkeers- of huishoudelijk ongeval groter, dan de kans dat je dodelijk zou worden getroffen door Covid-19.

    De oversterfte 2020 is lager dan in het jaar 2017/2018. De collateral damage van de corona maatregelen zoals door het niet (kunnen) uitvoeren van reguliere zorg voor 350.000 patiënten is nog onbekend. De GGZ kent thans wachtlijsten van 18-20 maanden. De rechtbanken zitten verstopt; de rechtzoekende loopt vast; de rechtstaat loopt vast. Heel veel ondernemers staan op het randje van de afgrond of liggen er al in. Gezinnen en het sociale leven zijn ontwricht. De oudjes vereenzamen en sterven geestelijk af. Het land piept en kraakt. Terwijl we nog steeds niet goed weten hoe het virus wordt verspreid.

    Waarom 1,5 meter afstand? Waarom al die regels die eigenlijk niet te doen zijn. Er is geen bewijs en geen onderzoek. Er zijn aannames, gedachten, meningen en talrijke deskundigen die elkaar tegenspreken. Meer niet. Het enige wat duidelijk is dat 36 gezonde en actieve mensen dodelijk zijn getroffen. ZES EN DERTIG. Voor het overige, hoe droevig dat ook is, zijn de overledenen zieke en/of oude mensen. Mensen die net als ik bij hun geboorte hun doodsvonnis hebben kregen. Het leven is eindig en we zijn niet meer gewend om te accepteren dat we doodgaan. En om dood te gaan is er een oorzaak nodig. Niet zelden is dat een infectie. That’s the circle of life.

    De economische schade door alle corona maatregelen wordt geraamd op tenminste € 200 miljard. Dat betekent dat er gemiddeld per werkende Nederlander (CBS: 9,1 mio mensen) dus € 22.000,– extra moet worden terugverdiend, dus naast de reguliere afdrachten aan de staat. Per inwoner van Nederland is dat € 11.500,– Dus een gezin met 2 kinderen moet € 46.000,– aflossen op deze schuld.

    Ik weet genoeg, ik ga maar snel aan het werk. Met ons gezin moeten we nog een corona-schuldje wegwerken van circa € 50.000,–.

  • Drama door “bijwerkingen” van wetswijziging partneralimentatie 2020

    Drama door “bijwerkingen” van wetswijziging partneralimentatie 2020

    Op 21 mei 2019 is het wetsvoorstel herziening partneralimentatie aangenomen door de Eerste Kamer. De nieuwe wet treedt op 1 januari 2020 in werking. In hoofdlijnen betekent dit dat het maximaal aantal jaren waarvoor partneralimentatie geldt, wordt ingekort van 12 jaar naar 5 jaar. Daarnaast geldt dat het tarief inkomstenbelasting waartegen de alimentatiebetaler de partneralimentatie kan aftrekken, in stappen daalt van maximaal 51,75% naar 37,10%. Hierdoor wordt het betalen van partneralimentatie duurder. Deze wijzigingen hebben veel dramatische “bijwerkingen” waar nauwelijks aandacht aan is gegeven. In dit artikel geef ik mijn analyse over de (neven)effecten van deze wijzigingen.

    Inkorten partneralimentatietermijn

    Vanaf 1 januari 2020 wordt de maximale alimentatieduur flink ingekort. De huidige partneralimentatieduur van 12 jaar werd door veel alimentatiebetalers als oneerlijk lang ervaren. Nu is het algemene beeld dat de huidige wettelijke partneralimentatieduur 12 jaar is. Maar in de praktijk is de betalingstermijn van partneralimentatie gemiddeld maar 6 jaar. Dat komt doordat er in veel gevallen na de scheiding sprake is van een wijziging in omstandigheden. Ook is het zo, dat de recente rechtspraak in wezen al vooruit is gelopen op de komende wetswijziging.

    Wijziging van omstandigheden 1:401 BW en 1:160 BW

    Als een partneralimentatie is afgesproken of door de rechter is vastgesteld, betekende dat niet automatisch dat voor die partneralimentatie een vaste duur geldt van 12 jaar. In de wet staat dat er een termijn geldt van maximaal 12 jaar. Overigens geldt tot en met 2019 voor kinderloze huwelijken korter dan 5 jaar een maximale partneralimentatieduur die gelijk is aan de duur van het huwelijk.

    Op het moment dat de alimentatiegerechtigde ex-partner gaat samenwonen op eenzelfde manier alsof hij of zij getrouwd zou zijn of er sprake is van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap, dan eindigt de alimentatieverplichting definitief (1:160BW). Op het moment dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, waardoor de partneralimentatie niet meer in lijn is van de “wettelijke maatstaven” kan de alimentatie worden herzien (1:401 BW). U kunt daarbij denken aan verlies aan inkomen van de alimentatieplichtige, een nieuwe partner of kind, een wijziging in inkomen van de alimentatiegerechtigde, wijziging van de woonsituatie, wijzigingen in de bijdrage in de kosten van de kinderen, et cetera.

    Al deze mogelijke wijzigingen hebben ertoe geleid dat vrijwel geen enkele overeengekomen of opgelegde partneralimentatie de volle termijn van 12 jaar onveranderd heeft “uitgediend”.

    Recente rechtspraak over alimentatie

    Bij het bestuderen van rechtspraak (jurisprudentie) over alimentatie, valt op dat er de laatste jaren een verschuiving is geweest in de beoordeling van alimentatie. Men zou kunnen denken dat rechters vooruit zijn gelopen op de naderende wetswijziging in 2020. Als basis in de rechtspraak geldt nu al, dat iedereen wordt geacht om voor zichzelf te zorgen of te gaan zorgen. Ofwel, vrijwel iedere alimentatiegerechtigde zal zich actief moeten gaan inzetten om in de eigen kosten van levensonderhoud te voorzien of te kunnen gaan voorzien.

    Het komt dus niet veel meer voor, dat hoge en langdurige partneralimentaties als vanzelfsprekend worden toegekend. Daarbij is het belangrijk te weten dat er wordt gekeken naar alle de feiten en omstandigheden. Bij een alimentatiegerechtigde van 57 jaar oud die 40 jaar niet heeft gewerkt, zal de vaststelling van partneralimentatie anders zijn dan een alimentatiegerechtigde van 38 jaar oud met een universitaire opleiding en een kind van 9 jaar, die na de geboorte van het kind 50% is gaan werken. Dat zal iedereen begrijpen.

    Partneralimentatieduur vanaf 2020

    Om alimentatiegerechtigden te stimuleren in hun “economische zelfstandigheid” heeft de nieuwe wet zijn uiteindelijke vorm gekregen. Door de maximale looptijd van partneralimentatie te verkorten verwacht de wetgever dat alimentatiegerechtigden sneller weer financieel onafhankelijk van de ex-partner zullen zijn. De wetgever verwacht daarbij ook dat het aantal alimentatie (herzienings)procedures zal afnemen.

    Uit de nieuwe wet volgt een nieuwe partneralimentatieduur van maximaal de helft van de duur van het huwelijk met een maximum van 5 jaar. Er gelden een aantal uitzonderingen, die in een handig stroomschema zijn opgenomen (klik hier voor het schema):

    1. Als het huwelijk langer dan 15 jaar heeft geduurd en de alimentatiegerechtigde binnen 10 jaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt, dan eindigt de partneralimentatie op het moment dat de alimentatiegerechtigde de AOW leeftijd bereikt;
    2. Als het huwelijk langer dan 15 jaar heeft geduurd en de alimentatiegerechtigde is geboren vóór of op 1 januari 1970, dan eindigt de partneralimentatie na 10 jaar;
    3. Als er kinderen uit het huwelijk zijn geboren dan eindigt de alimentatieverplichting niet eerder dan op het moment dat het jongste kind 12 jaar wordt.

    Bij samenloop van de hoofdregel en één of meerdere uitzonderingen, geldt de langste termijn. Het gaat steeds om een maximale termijn. In onderling overleg of door een rechterlijke uitspraak kan een andere looptijd worden vastgesteld. In schrijnende gevallen kan door de rechter de termijn alsnog worden verlengd.

    Stuwmeer van scheidingen?

    Voor de vaststelling van de alimentatieduur is het van belang op welk moment het verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank wordt ingediend. Als het verzoek nog in 2019 wordt ingediend geldt de wetgeving 2019 en als het verzoekschrift wordt ingediend na 1 januari 2020 dan geldt de nieuwe wetgeving. In de praktijk kom ik tegen dat toekomstige alimentatieplichtigen de scheidingsmelding nog even uitstellen tot na 1 januari 2020 om zo de toekomstige alimentatieduur te beperken.

    Aan de andere kant zie je veel advocatenkantoren die toekomstige alimentatiegerechtigden aansporen om nog even snel dit jaar het verzoek tot echtscheiding in te dienen bij de rechtbank. Kortom, ik verwacht dat veel partners die rondlopen met de gedachte om te gaan scheiden, waarbij zij inschatten dat er alimentatie betaald moet gaan worden, hun kruit nog even droog houden tot na 1 januari 2020. Het zou door deze wetgeving zomaar kunnen zijn, dat er een onzichtbaar stuwmeer van potentiële scheidingen is ontstaan. Ik ben benieuwd.

    Mediation en alimentatie

    In lopende mediation zaken moet naar mijn mening door de mediator melding worden gemaakt van de komende wetswijzigingen. Doet de mediator dat niet, dan kan hij of zij later worden aangesproken op het feit dat zijn of haar cliënten niet juist of onvolledig zijn geïnformeerd. Op het moment dat partners tijdig en juist zijn geïnformeerd over de aanstaande wetswijziging, dan voelt het voor de toekomstige alimentatiegerechtigde als een druk op de ketel, om nog in 2019 tot overeenstemming te komen.

    Deze, door de aanstaande wetswijziging veroorzaakte druk, is ronduit slecht voor mediation processen. Ikzelf heb mijn cliënten tijdig geïnformeerd over de komende wetswijziging en ik heb in voorkomende gevallen een specifieke deelovereenkomst opgesteld waarin (kort samengevat) staat dat als partijen er in de mediation niet uitkomen en na 1 januari 2020 de rechter verzoeken om een alimentatie vast te stellen, dat daarbij de wetgeving 2019 alsnog geldt.

    Dit heeft ertoe geleid dat de rust is gehandhaafd in het mediationproces waardoor de toekomstige alimentatiegerechtigde zich niet hals over kop hoeft te melden bij een advocaat om het verzoek tot echtscheiding in te laten dienen om zo de termijn van 12 jaar veilig te stellen. Een bijkomend voordeel is dat de verhouding tussen partijen daardoor beter wordt. Immers de toekomstig alimentatieplichtige stelt zich coulant op om nu al aan te geven bereid te zijn om tegen de huidige wetgeving de alimentatie overeen te komen. Dat zorgt voor veel goodwill bij de toekomstig alimentatiegerechtigde, waardoor als vanzelf de looptijd van de alimentatie bespreekbaar is geworden en dus niet door de toekomstig alimentatiegerechtigde wordt vastgepind op 12 jaar.

    Fiscale wijzigingen

    Een belangrijke fiscale wijziging is, dat voor alimentatieplichtigen met een hoog inkomen, met ingang van 1 januari 2020 het fiscale voordeel over partneralimentatie wordt verlaagd. Het gaat daarbij om inkomens waarbij het belastbaar inkomen in de hoogste tariefschrijf valt. Tot en met 2019 bedraagt het fiscale voordeel over de alimentatie 51,75%. Vanaf 2020 zal het fiscale voordeel in stappen afnemen naar 46% in 2020 tot 37,10% in 2023. In de tussenliggende jaren wordt het voordeel steeds met 3% verlaagd. Kortom, het betalen van partneralimentatie wordt duurder.

    Alimentatiewijzigingen: stuwmeer van procedures?

    Er zullen dus een flink aantal alimentatieplichtigen zijn die denken last te krijgen van de fiscale wijzigingen. Deze wijzigingen vallen onder 1:401 BW en kunnen dus leiden tot een herziening van de overeengekomen of opgelegde alimentatiebedragen. Immers, door het lagere fiscale voordeel over partneralimentatie daalt ook de draagkracht van de alimentatieplichtige, zo wordt gedacht. Aan de andere kant wordt de fiscale aftrekbeperking (voor een deel) gecompenseerd met een verlaging van het tarief inkomstenbelasting en worden de algemene heffingskorting en de arbeidskorting verhoogd.

    Deze maatregelen samen betekenen dus niet automatisch, dat iedere alimentatie hoeft te of kan worden aangepast. In herzieningsprocedures wordt gekeken naar de huidige situatie van partijen, dus alle inkomsten en uitgaven die op het moment van herziening gelden. Een heel gedoe dus, zeker als de partners niet in pais en vree uit elkaar zijn gegaan. In die situatie moet je dan een herzieningsprocedure starten waarvan de uitkomst erg onzeker is. Zeker als de inkomsten en uitgaven van de ex-partner onbekend zijn. Dan blijft het gissen hoe de financiële situatie van de ex-partner eruit ziet en kun je geen goede inschatting maken of het starten van een herzieningsprocedure zal leiden tot een lagere alimentatie.

    Voor alimentaties die in overleg (mediation) overeen zijn gekomen, kunnen de ex-partners met elkaar overleggen om eens te laten herrekenen of de overeengekomen alimentaties nog voldoen aan de wettelijke maatstaven. Voor de goede orde, bij een herziening van de partneralimentatie die voor 1 januari 2020 is overeengekomen of opgelegd, geldt niet dat daarvoor de nieuwe -kortere- alimentatietermijn gaat gelden.

    Bijwerking 1: Rondpompen van geld

    Het verlagen van het fiscale voordeel over betaalde partneralimentatie zou een financieel voordeel moeten opleveren voor de overheid. Als scheidingsbegeleider met een financiële en fiscaal-juridische achtergrond zie ik dat anders. Als eerste geldt dat de fiscale aftrekbeperking (voor een deel) gecompenseerd wordt met een verlaging van het tarief inkomstenbelasting en worden de algemene heffingskorting en de arbeidskorting verhoogd. Daarnaast zal het verlagen van het fiscale voordeel over betaalde partneralimentatie leiden tot de nodige herzieningsprocedures.

    Bij een herzieningsprocedure geldt in een groot deel van de gevallen dat de alimentatiegerechtigde een “pro deo” advocaat moet inschakelen om de procedure voor hem of haar te voeren. Deze gesubsidieerde rechtsbijstand wordt betaald door de overheid. Als je daarbij optelt dat de rechtspraak het werk nu al niet aankan, zal dat leiden tot een ernstige verstopping van de rechtsgang. Nu al duurt een herzieningsprocedure in veel gevallen al meer dan een jaar en die looptijd zal alleen maar toenemen!

    Als de uitkomst van een herzieningsprocedure is, dat de partneralimentatie wordt verlaagd, zal dat betekenen dat de inkomensafhankelijke toeslagen die de alimentatiegerechtigden ontvangen zullen toenemen. Die toeslagen, waaronder kindgebonden budget, huurtoeslag, zorgtoeslag et cetera, worden ook door de overheid betaald. In voorkomende gevallen komt daarbij dat, door het lager worden van de partneralimentatie, de alimentatiegerechtigde een beroep moet doen op aanvullende bijstand, die ook wordt voldaan door de overheid.

    Los van deze effecten leiden de herzieningsprocedures ook tot het nodige gedoe tussen ex-partners. Zeker als er kinderen zijn zal dat de spanningen doen toenemen, wat zijn weerslag zal hebben op het welzijn van de kinderen. Dat zal weer leiden tot extra zorgkosten die wederom op het bordje komen te liggen van de overheid. Maar veel belangrijker nog dan alle financiële gevolgen: het leidt tot gedoe en onzekerheid en dat is naar mijn inzichten het meest vervelend van deze niet goed overdachte fiscale maatregel.

    Bijwerking 2: Huisvestingsproblemen

    Het is algemeen bekend dat er een groot tekort is aan betaalbare huurwoningen. Veel partners die gaan scheiden hebben een koophuis met de nodige overwaarde. In de mediation praktijk zie je vaak dat de scheidende partners het gezamenlijke koophuis verkopen, de opbrengst verdelen en met die opbrengst ieder op zoek gaat naar een goedkoper koophuis. Dit omdat een huurhuis niet te krijgen is. Als daarvoor een hypotheek nodig is, wordt bij de beoordeling van een financieringsaanvraag gekeken naar het inkomen van de aanvrager.

    Naast het arbeidsinkomen wordt ook het inkomen uit partneralimentatie meegeteld voor het beoordelen van een hypotheekaanvraag. Dat kan alleen als de overeengekomen of opgelegde partneralimentatie een looptijd heeft van 10 jaar of langer. Omdat de wetgeving tot 2020 standaard uitgaat van een alimentatietermijn van 12 jaar, kon in veel gevallen door de alimentatiegerechtigde een eigen koophuis worden gefinancierd tegen hypotheeklasten die aanzienlijk lager waren dan de huur van een eventuele huurwoning.

    Vanaf 2020 geldt voor veel alimentatiegerechtigden een partneralimentatietermijn van minder dan 10 jaar. Dit betekent dus, dat alimentatiegerechtigden veel minder kansen hebben om een hypotheek te kunnen krijgen voor een eigen koophuis. In mediation zaken kan dit probleem worden besproken en kan er worden gezocht naar oplossingen. Zo kan worden overwogen om de partneralimentatie die de alimentatiegerechtigde zou gaan ontvangen over bijvoorbeeld 5  jaar, uit te smeren over 10 jaar om zo dat inkomen te kunnen laten meetellen voor de aanvraag van een hypotheek. Maar ik vraag me af of ik daar bij alimentatieplichtigen de handen voor op elkaar krijg. Immers het is juist de bedoeling dat ex-partners sneller los komen van elkaar en als je dat in overleg weer gaat terugdraaien dan wordt het beoogde doel ook niet gehaald. Dus ondanks dat in mediation zaken de partners elkaar vaak op weg willen helpen, zal dit een probleem geven.

    Kortom, het huisvestingsprobleem voor gescheiden mensen zal naar mijn inzichten alleen maar toenemen, omdat de alimentatiegerechtigden geen woning meer kunnen kopen. En die situatie zal ook weer uitstralen op de kinderen en de maatschappij. Het maatschappelijke huisvestingsprobleem zal ook leiden tot meer vechtscheidingen. Immers “een kat in het nauw maakt rare sprongen”. Want als je als alimentatiegerechtigde geen huurhuis kunt krijgen, waar moet je dan heen (met je kinderen)?

    Bijwerking 3: Huizenmarkt

    De woningprijzen zijn de afgelopen jaren geëxplodeerd. Zeker aan de “onderkant” van de markt zijn de prijzen erg hoog geworden. Waar enkele jaren geleden voor een eenvoudig appartementje nog € 80.000,– moest worden betaald, staat de teller voor zulke objecten nu al snel op het dubbele.

    Mijn inschatting is, dat een aanzienlijk deel van de kopers van dat soort goedkope objecten ook mensen zijn die zijn gescheiden. Per jaar scheiden circa 40.000 stellen zijn er circa 60.000 samenlevingen die worden verbroken. Grofweg zijn er dus jaarlijks circa 200.000 mensen (!) die iets moeten met “wonen”. Tel daarbij op dat er in Nederland thans meer dan 1 miljoen mensen zijn met de status “gescheiden” en dan heeft u een indruk van de enorme hoeveelheid gescheiden mensen die zich op de woningmarkt begeven. Mensen die alleen nog maar kunnen kopen omdat huurwoningen er simpelweg niet zijn. Vanwege de enorme vraag naar goedkope koophuizen en de lage rente, zijn de prijzen van degelijke koophuizen zo enorm toegenomen, dat de prijs die ervoor wordt betaald, niets meer te maken heeft met de economische waarde in combinatie met de economische levensduur.

    Als door het wegvallen van een grote groep potentiële kopers de vraag naar goedkopere koophuizen terugloopt, zal dit wellicht een drukkend effect krijgen op het prijsniveau. Ook zal de doorstroming daardoor stagneren.

    Conclusie

    Dat de wetgever heeft gekeken naar de maatschappelijke ontwikkelingen en daar de alimentatiewetgeving op heeft aangepast is te begrijpen. Aan de andere kant is te stellen, dat de huidige rechtspraak in wezen al in de pas liep van de maatschappelijke ontwikkelingen en de denkwijzen als het gaat om het economisch zelfstandig worden van de alimentatiegerechtigden. Het is dan ook de vraag of de wetswijzigingen omtrent de beperking van de alimentatieduur wel nodig waren. Nu lijkt het mij weinig zinvol om de wetwijziging opnieuw ter discussie te stellen. Het is nu eenmaal zoals het is. Het is naar mijn mening wel bijzonder jammer dat de problemen rondom huisvesting zoals ik hiervoor omschreef niet of nauwelijks zijn afgewogen.

    De fiscale wijzigingen omtrent partneralimentatie zijn primair ingevoerd als een besparingsmaatregel ten gunste van de overheid. Maar op basis van wat ik hiervoor uiteen heb gezet is dat nog maar zeer de vraag. Ikzelf ben van mening dat deze hele exercitie alleen maar zal leiden tot meer kosten en meer gedoe.

    Gedoe, onzekerheid, geruzie, procedures en het rondpompen van geld. Zou de overheid daar überhaupt aan hebben gedacht bij het invoeren van de wijzigingen?

    Arnoud Oostveen

  • Belangrijke uitspraak Koopwoning & Hypotheek bij scheiden!

    Belangrijke uitspraak Koopwoning & Hypotheek bij scheiden!

    Op 29 juni 2018 heeft de geschillencommissie van het financieel klachteninstituut Kifid een zeer belangrijke uitspraak gedaan. Die uitspraak is van belang voor scheidende partners, waarvan één van de partners in de woning wil blijven wonen en de bank niet wenst mee te werken aan het ontslag hoofdelijk schuldenaarschap van de andere partner.

    Waar ging het om?

    Een consument en zijn ex-vrouw hebben in 2006 samen een hypotheek afgesloten bij Obvion Hypotheken. Na de echtscheiding in 2012 blijft de man met de twee kinderen in de woning wonen. Wanneer de ex-vrouw te maken krijgt met schuldsanering constateert haar bewindvoerder dat zij nog steeds aansprakelijk is voor de hypotheek van de woning. De bewindvoerder verlangt van de consument dat de ex-vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid wordt ontslagen of dat de woning wordt verkocht. De consument dient hierop bij de bank een verzoek in om zijn ex-vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan.

    Ontslag Hoofdelijk Schuldenaar

    Ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid is een wijziging van de hypotheekovereenkomst waarvoor de instemming van alle contractspartijen nodig is. De bank mag weigeren om de ex-vrouw te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Tenzij dit in redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

    De Geschillencommissie constateert dat in deze zaak sprake is van zwaarwegende belangen van de consument. Wanneer er geen ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid wordt verleend aan de vrouw, dan moet de woning worden verkocht. Juist de vertrouwde omgeving is voor de kinderen, met psychische problemen, van groot belang voor stabiliteit.

    Geen standaardbeoordeling!

    Vaak weegt de bank bij een verzoek tot ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid af, of de hypotheek met één debiteur of met twee debiteuren kan worden voortgezet. Deze situatie van klager wijkt daarvan af. Omdat op de ex-vrouw de schuldsaneringsregeling van toepassing is, kan de bank de hypotheekschuld niet op de ex-vrouw verhalen. In deze situatie staat de bank niet voor de ‘standaard’afweging, maar is de vraag of de bank de hypotheek met de consument voort wil zetten of dat de bank wil dat de woning wordt verkocht. De Geschillencommissie betrekt in haar oordeel dat de consument momenteel in staat is de hypotheeklasten te voldoen. En dat voor zover er sprake is geweest van betalingsachterstanden, die telkens weer zijn ingelopen.

    Dit alles leidt voor de klachtencommissie tot de slotsom dat in deze specifieke situatie het belang van de consument zeer zwaarwegend is, terwijl de belangen van de bank niet ernstig worden geschaad. In deze situatie is de weigering van de bank om ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te verlenen onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

    Wat kunt u met deze uitspraak?

    In de praktijk zie je nogal eens, dat banken volgens een standaard toets het ontslag hoofdelijk schuldenaarschap afwijst, omdat de achterblijvende partner met zijn of haar inkomen niet precies past binnen de standaard acceptatienormen, die zijn gebaseerd op de Nibud Financieringslasttabellen. Die tabellen gaan uit van gehele annuïtaire aflossing van de hypotheek en enkele correcties die verband houden met ondermeer de leeftijd en het inkomen van de achterblijvende partner (de debiteur).  Als het ontslag hoofdelijk schuldenaarschap niet wordt verleend, dan geldt in veel gevallen dat de woning dan alsnog moet worden verkocht en dat de partners dan moeten gaan huren.

    Door de huidige lage rentestand zijn de hypotheeklasten meestal aanzienlijk lager dan de huur van een woning. Vooral als partners iets meer verdienen, zijn zij dan aangewezen op een huurwoning in de vrije sector. In de randstad bedragen de huren voor een eenvoudige eensgezinwoning dan al snel circa € 1.000,– netto per maand. Dit, terwijl de hypotheeklasten voor een huis van € 250.000,– circa € 600,– netto per maand bedragen.

    In navolging van deze uitspraak van het Kifid, gaat het er dus om, dat de bank niet mag weigeren tot medewerking ontslag hoofdelijk schuldenaar, als die weigering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het gaat dus om de achtergronden van de zaak en de belangen van de achterblijvende partner en de bank. Alles is samenhang bezien.

    In de praktijk

    Naar mijn mening passen veel zaken bij deze uitleg van het Kifid. Vorig jaar heb ik voor een cliënte het ontslag hoofdelijk schuldenaarschap voorgelegd aan de ING Bank. Ook die bank weigerde om mee te werken. De reden was dat zij niet binnen de acceptatienormen van de ING Bank viel. De achtergronden waren in het kort: de man was opgenomen in een psychiatrische kliniek en was geheel arbeidsongeschikt (sinds enkele jaren). De vrouw had voor 50% een goede baan en voor 50% een blijvende WIA uitkering. De woning had een waarde van € 475.000,– en de hypotheekschuld was € 200.000,–. Door de verdeling van de overige activa van de gemeenschap, kon de vrouw de woning van € 475.000,– met de hypotheekschuld van € 200.000,– toegedeeld krijgen. De vrouw zou in de woning willen blijven wonen met de 2 minderjarigen, voor wie zij door ziekte van de ex-echtgenoot de volledige zorg had. De vrouw betaalde met haar inkomen al jaren de woonlasten van de koopwoning (€ 320,– netto per maand). In totaal was het inkomen ruimschoots toereikend om volgens de standaard acceptatienormen van de ING Bank in aanmerking te komen voor ontslag hoofdlijk schuldenaarschap van de ex-partner. De bank werkte toch niet mee, omdat volgens hun standaard acceptatienormen de WIA uitkering van de vrouw onzeker was en derhalve niet meetelde voor het bepalen van haar leencapaciteit. Dit ondanks het feit dat de uitkering aantoonbaar blijvend was!

    Met deze uitspraak van het Kifid in de hand, had de vrouw zich kunnen wenden tot het Kifid.

    De afweging die de bank dient te maken is of zij de hypothecaire lening met één debiteur of met twee debiteuren wenst voort te zetten. De situatie van mijn cliënte wijkt hiervan af. In haar geval zit de ex-echtgenote in een psychiatrische kliniek en zijn er twee opties: 1) ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid, of 2) verkoop van de woning. Bij beide opties verliest de bank de mogelijkheid om de hypothecaire schuld op de ex-echtgenoot te verhalen. Die is immers volledig arbeidsongeschikt en heeft geheel geen inkomen. Bij het ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid is dit van evident belang. Bij deze optie verliest de bank de verhaalsmogelijkheid op de ex-echtgenote van cliënte, maar daar valt niets te verhalen. Bij eventuele (gedwongen) verkoop van de woning is er geen enkel risico op een restschuld die de bank zou kunnen treffen in haar belangen. De afweging die de bank in het onderhavige geval dus moet maken is niet of zij de hypothecaire lening met één of met twee debiteuren wenst voort te zetten, maar of zij de hypothecaire lening met mijn cliënte wenst voort te zetten en of dat voor haar betaalbaar is. Gezien de netto last van € 320,– bij een netto inkomen van € 2.500,– per maand is dit ook geen ingewikkelde vraag.

    Oproep aan alle banken

    Met deze uitspraak van het Kifid is duidelijk dat banken bij een verzoek ontslag hoofdelijk schuldenaarschap zich niet meer kunnen verschuilen achter de eigen acceptatienormen. Banken zullen bij het verzoek een afweging moeten maken tussen de belangen van de cliënt enerzijds en de belangen van de bank anderzijds. Dat zal nog een zware dobber worden. De banken zijn niet voldoende ingericht op dit soort verzoeken. Ze hebben daar de mensen niet voor of hebben niet voldoende mensen. Ook hebben verreweg de meeste acceptanten bij banken onvoldoende kennis over hypotheken en scheidingen. Toch zullen banken in het kader van hun zorgplicht iets moeten doen, om het verzoek ontslag hoofdelijk schuldenaarschap zorgvuldig te behandelen. Anders kunnen zij op basis van deze uitspraak van het Kifid de nodige klachten tegemoet gaan zien.

    Aan de andere kant is het van belang, dat je je als aanvrager er bewust van bent, dat het verzoek ontslag hoofdelijk schuldenaarschap goed en gedegen moet worden onderbouwd. Dit betekent dus dat je je goed moet voorbereiden, om zo de meeste kans op acceptatie te krijgen.

    Het is mijn dagelijks werk om mensen bij te staan in dergelijke kwesties. Voelt u zich vrij om mij even te bellen of te mailen met uw vragen omtrent uw eigen situatie. Wellicht kan ik u goed op weg helpen.

    Arnoud Oostveen

    Relevante links:

    Scheiden & koophuis

     

  • Scheiden: niet omdat anderen dat vinden

    Scheiden: niet omdat anderen dat vinden

    Op donderdag 15 maart is mijn laatste artikel op Sophia Magazine verschenen.

    Klik hier om het artikel te lezen.

  • Accountant niet objectief als bemiddelaar

    Accountant niet objectief als bemiddelaar

    Het komt maar al te vaak voor dat de huisaccountant bij een (echt)scheiding of belangenconflict partij kiest voor de (belangrijkste) opdrachtgever. In dit geval deed de huisaccountant dat in een nieuwe rol als bemiddelaar. Dat hij die opdracht niet schriftelijk had vastgelegd, is slordig. Dat hij niet duidelijk genoeg was over zijn rol is in ieder geval verwijtbaar. Zie daarvoor deze uitspraak.

    Naar mijn inzichten is het voor de “huisaccountant” van partijen niet verstandig om te gaan bemiddelen bij het uit elkaar gaan van partijen. De accountant van partijen kan zeker wel behulpzaam zijn in het scheidingstraject en heeft daarin een belangrijke toegevoegde waarde. Hij of zij is immers degene die de onderneming van haver tot gort kent. Maar als het gaat om een vaststelling van een waarde of de verdeling van de onderneming is het van belang om dit over te laten aan een externe, onafhankelijke partij. Dat voorkomt dit soort gedoe.

    Arnoud Oostveen

  • Ouderschapsplan: de praktijk

    Ouderschapsplan: de praktijk

    Op 9 maart publiceerde ik mijn laatste artikel op Mies Magazine.

    Klik hier om het artikel te lezen.

  • BNR Nieuwsradio “Ask Me Anything”

    BNR Nieuwsradio “Ask Me Anything”

    Vandaag was ik te gast in het BNR Nieuwsradio programma “Ask Me Anything” van Jorgen Raymann.

    Klik hier om de uitzending te beluisteren.

  • (Ver)Rekenkunst bij Huwelijkse Voorwaarden

    (Ver)Rekenkunst bij Huwelijkse Voorwaarden

    Veel huwelijkse voorwaarden kennen een zogenoemd ‘periodiek verrekenbeding’. De uitleg en de afwikkeling van een periodiek verrekenbeding na scheiding is één van de meest lastige zaken in de afwikkeling van een scheiding. Er is veel rechtspraak over geweest en met ingang van 1 september 2002 is de Wet regels Verrekenbedingen van toepassing, waar ook de periodieke verrekenbedingen onder vallen. Deze wet is van toepassing op huwelijkse voorwaarden, ook al zijn deze eerder gesloten dan de inwerkingtreding van de wet.

    Het eerste wat van belang is, is of je jaarlijks hebt verrekend. Als dit het geval is, hoeft bij het einde van huwelijk niet meer verrekend te worden, behalve wellicht over het afgelopen jaar. Indien je niet jaarlijks verrekend hebt, geldt het navolgende.

    Overeenkomst

    Als uitgangspunt geldt wat je bent overeengekomen in de akte van huwelijkse voorwaarden. Dit is immers niet meer en niet minder dan een contract tussen jullie als echtgenoten. Indien sprake is van een tijdens het huwelijk door jullie niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding van overgespaarde inkomsten, is de eerste stap om te bekijken in de huwelijkse voorwaarden hoe het begrip inkomsten is gedefinieerd. Je komt in huwelijkse voorwaarden verschillende inkomensbegrippen tegen.

    Indien een van de partners ondernemer is, kan het begrip inkomen nogal eens tot discussie leiden. Veelal wordt onder ‘inkomen’ dan verstaan: de reële arbeidsbeloning welke wordt genoten / in alle redelijkheid zou kunnen worden genoten uit het door een echtgenoot uitgeoefend zelfstandig beroep of bedrijf. Aangezien er in veel gevallen geen sprake is geweest van een reële arbeidsbeloning bij met name DGA’s, betekent dit ook dat de partner van de ondernemer jaarlijks teveel heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding. In dergelijke gevallen zou berekend kunnen worden welke vergoedingsvordering er is ontstaan ter zake het niet naar evenredigheid van het reële arbeidsinkomen bijdragen in de kosten van de huishouding. Voor de DGA kan sprake zijn van ‘opgepotte winsten’ die mogelijk vallen onder de verrekenregels.

    Wat  moet er verrekend worden?

    In de huidige wet is een bewijsvermoeden neergelegd (artikel 1:141 lid 3 BW). Dit bewijsvermoeden houdt in dat al het aanwezige vermogen in beginsel verrekend dient te worden, tenzij tegenbewijs wordt geleverd dat het goed niet voor het geheel of voor een deel verworven of gefinancierd is met de overgespaarde inkomsten. Alleen zaken die tijdens het huwelijk in eigendom zijn verkregen, vallen onder het verrekenbeding. Is een woning bijvoorbeeld al voor het huwelijk in eigendom verkregen, dan vindt in beginsel geen verrekening plaats van de waarde van de woning.

    Artikel 1:141 BW

    1. Indien een verrekenplicht betrekking heeft op een in de huwelijkse voorwaarden omschreven tijdvak van het huwelijk en over dat tijdvak niet is afgerekend, blijft de verplichting tot verrekening over dat tijdvak in stand en strekt deze zich uit over het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede over de vruchten daarvan.
    2. Indien een verrekenplicht betrekking heeft op een in de huwelijkse voorwaarden omschreven tijdvak van het huwelijk, dan eindigt die verrekenplicht op het tijdstip zoals in artikel 142 bepaald, als dat tijdvak nog loopt.
    3. Indien bij het einde van het huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht als bedoeld in het eerste lid niet is voldaan, wordt het alsdan aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Artikel 143 is van overeenkomstige toepassing.
    4. Indien een echtgenoot in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winsten van een niet op zijn eigen naam uitgeoefende onderneming hem rechtstreeks of middellijk ten goede komen, en een verrekenbeding is overeengekomen dat ook ondernemingswinsten omvat, worden de niet uitgekeerde winsten uit zodanige onderneming, voor zover in het maatschappelijk verkeer als redelijk beschouwd, eveneens in aanmerking genomen bij de vaststelling van de verrekenplicht van die echtgenoot, onverminderd het eerste lid.
    5. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing, indien een echtgenoot op eigen naam een onderneming uitoefent.
    6. De vordering tot verrekening, bedoeld in het eerste lid, verjaart niet eerder dan drie jaren na de beëindiging van het huwelijk dan wel het onherroepelijk worden van de beschikking tot scheiding van tafel en bed. Deze termijn kan niet worden verkort.

    Zaken die zijn aangebracht voor het huwelijk, die eventueel op de staat van aanbrengsten staan aangegeven, en de daarvoor in de plaats gekomen goederen vallen niet onder de verrekening. Zaken die of door een schenking of uit nalatenschap al dan niet onder uitsluitingclausule zijn verkregen, vallen eveneens niet onder het verrekenbeding.

    Samengevat

    Echtgenoten in wiens huwelijksvoorwaarden een periodiek verrekenbeding is opgenomen welke niet is nagekomen, dienen aan het einde van het huwelijk alsnog met elkaar af te rekenen. Gevoelsmatig komt dit voor scheidende mensen neer op het ‘verdelen als ware er een gemeenschap van goederen’. Mijn ervaring is dat dit tenminste voor een van de partners een niet welkome boodschap is. In overleg kan natuurlijk worden afgeweken van de verrekenregels, maar dan moet het voor partijen eerst duidelijk zijn, waar zij staan en waar zij aanspraak op kunnen maken. Dat behoefte een nauwkeurige, financiële uiteenzetting en meestal ook het nodige aan ‘speurwerk’.

    Arnoud Oostveen

    Ik ben gespecialiseerd in de analyse van de huwelijkse voorwaarden en het bepalen van de impact van de wettelijke verrekenregels. In voorkomende gevallen waarbij ondernemers zijn betrokken, zal een Register Valuator worden ingeschakeld, die de redelijke arbeidsbeloning en de omvang van het te verrekenen ondernemingsvermogen vaststelt.

    Als je in de positie verkeert dat je gaat scheiden en je hebt huwelijkse voorwaarden, dan doe je er goed aan om een financieel specialist in te schakelen. Iemand die zich volledig focust op alles wat een scheiding aangaat. Emotioneel, financieel fiscaal en juridisch. Ik ben zo’n specialist. Neem gerust eens contact op voor een vrijblijvend kennismakingsgesprek. Dan kunnen we onderzoeken of het klikt en of we elkaar begrijpen.

  • Hoe doen we het volgend jaar? 5 tips voor je zomervakantie-evaluatie

    Hoe doen we het volgend jaar? 5 tips voor je zomervakantie-evaluatie

    De vakantie is gevierd en het normale leven heeft z’n intrede weer gedaan.

    Hopelijk heb je plezier gemaakt met je kinderen. Of dat nou op je balkon was of op Bali, dat maakt niet uit. Het belangrijkste voor kinderen is echte aandacht van hun vader of moeder en dan is de locatie van ondergeschikt belang.

    Misschien ben je in de afgelopen weken tegen wat zaken aangelopen. Had je kind buikpijn van de heimwee naar de andere ouder omdat 3 weken weg te lang is? Vinden je kinderen 2×2 weken naar het buitenland te veel? Willen ze ook tijd hebben om thuis op de bank te hangen?

    Een aanrader, nu de vakantie nog zo vers in ieders geheugen ligt, is met elkaar evalueren wat deze zomer goed ging en wat volgend jaar beter kan. Zodat de 6 weken zomervakantie op maat gemaakt is voor jullie situatie. Om je te helpen geef ik je 5 tips. Zodat de vakantie volgend jaar nog meer ontspannen is. Daar worden zowel jij als je kinderen blij van!

    Tip 1

    Waarom zowel met papa als met mama in die 6 weken op vakantie gaan?

    Kinderen hebben het tegenwoordig heel druk met school, sport, clubjes, alle prikkels van social media, gamen etc. Aan buitenspelen en je gewoon eens vervelen komen ze nauwelijks toe. Wist je dat kinderen heel creatief worden van zich vervelen? Je kunt met je ex afspreken dat jullie om het jaar in de zomervakantie weg gaan. Of dat de een in de meivakantie met de kinderen weg gaat en de ander in de zomervakantie. En het jaar erop dit omdraaien. Scheelt een hoop geld en spreiding van op vakantie gaan is voor kinderen leuker dan alles in die 6 weken gepropt krijgen.

    Wees creatief!

    Tip 2

    Is 3 weken weg bij 1 van de ouders teveel voor je kind?

    Met name bij wat jongere kinderen zie je dat ze het moeilijk vinden om papa of mama 3 weken niet te zien.  Ook voor jou als ouder kan het lastig zijn, 3 weken zonder je kind. Misschien is het nodig dat jullie de 6 weken in meerdere stukken knippen. Dus bijvoorbeeld de eerste 2 weken en week 5 naar papa. Is dit voor jullie situatie geen optie? Maak dan goede afspraken over extra belmomenten. Misschien kan je kind wel met je skypen vanaf de camping in Frankrijk? Wat extra contactmomenten zorgen ervoor dat niemand met buikpijn gaat slapen.

    Tip 3

    Hoe ging de overdracht dit jaar tussen de vakantie van mama naar de vakantie bij papa?

    Zat het Zeeuwse zand nog tussen de tenen van je kind toen hij alweer vastgegespt werd in een vliegtuigstoel op weg naar Kreta? Hadden jullie afgesproken langs de route de soleil om de kinderen over te laden, de een op de terugweg, de ander op de heenweg? Er zijn ook kinderen die 4 weken in 1 en dezelfde stacaravan/tent in Spanje bivakkeren, 2 weken met papa en 2 weken met mama.

    Er is geen goed of fout. Het gaat erom hoe je kind zich eronder voelt. Heeft je kind moeite met veranderingen dan vraagt dat een andere aanpak dan wanneer je een heel flexibel kind hebt. Veel kinderen vinden het prettig om, minstens een aantal dagen, tussen vakantie 1 en vakantie 2 thuis te zijn. Vaak zijn ze vermoeid van laat naar bed gaan en de reis. Even weer het normale ritme doet ze goed. Houd hier rekening mee!

    Tip 4

    Vond je het zwaar, zo’n vakantie alleen met je kinderen? Al die “gelukkige” gezinnetjes om je heen? Als je kinderen in bed lagen, alleen voor de tent met je glaasje wijn…

    Het valt niet altijd mee, zo’n eenoudergezin zijn… Als je alleen met je kinderen op vakantie gegaan bent, wat knap dat je het avontuur aangegaan bent!

    Zag je het dit jaar niet zitten om alleen met je kinderen op vakantie te gaan of viel het je best een beetje zwaar? Er zijn organisaties, zoals Cirkel en Estivant, die vakanties organiseren voor eenoudergezinnen. Je hebt geen kind aan je kinderen en drinkt dat glaasje wijn met mensen die in dezelfde situatie zitten.

    Tip 5

    Dit hele artikel staat of valt bij goed overleg. Laat de kinderen vertellen wat ze fijn vonden deze zomer en wat ze minder fijn vonden. Neem dit mee in de zomervakantie-evaluatie.

    Misschien heb je dit artikel zitten lezen en lachte je wat schamper… Overleggen met mijn ex? Gaat de communicatie tussen jullie niet zoals je zou willen, ik help je graag. In een vrijblijvend gesprek kunnen we kijken wat ik voor je kan doen. Zodat ook jij, zonder stress en strijd, kunt overleggen met je ex.

    Vriendelijke groet en hopend op een mooie nazomer,

    Carolien Roobol, scheidingscoach

    www.succesvolscheidenrijnmond.nl

    06-36054971

  • Scheiden op latere leeftijd

    Scheiden op latere leeftijd

    Wanneer partners na een langdurig huwelijk gaan scheiden, is dit een wezenlijk andere scheidingszaak dan wanneer mensen op jonge leeftijd en/of met minderjarige kinderen gaan scheiden. Het is dan ook van belang, dat een scheiding op latere leeftijd anders wordt benaderd. In de praktijk kom je nogal eens tegen dat een dergelijke scheiding “standaard” wordt afgewikkeld, terwijl er in dergelijke kwesties geen sprake kan zijn van een “standaard” benadering.

    In verreweg de meeste gevallen geldt dat na een langdurig huwelijk hele andere belangen gelden, dan in het geval van scheidingen van jonge mensen en/of mensen met kinderen. Oudere partners hechten er in de meeste gevallen waarde aan om te weten op welke wijze zij na een scheiding financieel weer verder kunnen, juist vanaf het moment van pensioneren.

    Vermogen / Verdeling / Verrekening

    Bij scheidingen op latere leeftijd betreft het merendeel huwelijken die “in gemeenschap van goederen” zijn aangegaan. Voor wat betreft het vermogen geldt dat al het gevormde vermogen gemeenschappelijk is, met uitsluiting van schenkingen en erfenissen die onder “uitsluiting” zijn verkregen. Onder “uitsluiting” verkregen vermogen is privévermogen, waarbij de schenker of erflater heeft bepaald dat het overgedragen vermogen niet zal behoren tot de gemeenschap van goederen. Bij scheidingen op latere leeftijd, kom je nogal eens tegen dat dergelijk privévermogen is verkregen wat dan weer is geïnvesteerd in de gemeenschap. De vraag is dan hoe partners om willen gaan met dit privé vermogen. Een moeilijkheid daarbij is dat veel mensen na vele jaren ook niet meer precies weten waar dat privévermogen aan op is gegaan en of er überhaupt dan nog wel sprake is van een privévermogen.

    Wanneer partner zijn gehuwd na het maken van “huwelijkse voorwaarden” dan kan de zaak mogelijk nog complexer worden. Met name niet uitgevoerde verrekenbedingen komen in de praktijk veel voor. Het is dan zaak om te kijken hoe partners heden ten dage om willen gaan met de huwelijkse voorwaarden. Civielrechtelijk kunnen partners nagenoeg alles overeenkomen wat zij willen. Fiscaalrechtelijk werkt dat anders. Dus als partners besluiten om het vermogen te verdelen en/of te verrekenen op een manier die anders is dan bij huwelijkse voorwaarden is overeengekomen, kan de fiscus om de hoek komen kijken. Er kunnen dan ondermeer schenkingsaspecten worden geconstateerd. Ook kan bijvoorbeeld het verdelen of toedelen van een lijfrentekapitaal leiden tot ongewenste belastingheffing.

    Pensioenverevening

    De Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (VPS) regelt de “verdeling” van de pensioenen bij echtscheiding. Het is regelende wetgeving, wat betekent dat partners in onderling overleg anders overeen kunnen komen. Bij scheidingen op latere leeftijd, speelt de pensioenverdeling een belangrijke rol, omdat dit immers het inkomen is waar veel mensen van moeten leven. Er is heel veel mogelijk op het gebied van pensioen, zoals ongelijke verevening, het afzien ervan en conversie. Het zijn allemaal hulpmiddelen voor de financieel deskundigen om het zo in te kunnen regelen, dat partners beiden financieel weer verder kunnen. Maar ook hier geldt dat het allemaal niet “standaard” is. Het vergt een goed overleg en uitgebreide berekeningen met betrekking tot het afstemmen van het Netto Besteedbaar Inkomen.

    Partneralimentatie

    In artikel 1:157 BW wordt het recht op partneralimentatie geregeld. In het 4e lid van dit artikel staat dat de wettelijke partneralimentatieduur 12 jaren is. Veel mensen weten niet dat de wettelijke termijn van 12 jaren is ontstaan vanuit de gedachte dat indien partners gaan scheiden met een 0-jarig kind, de alimentatiegerechtigde in ieder geval tot het moment waarop het jongste kind 12 jaar is geworden, niet in staat kan worden geacht om fulltime te gaan werken om zo in eigen levensonderhoud te kunnen gaan voorzien.

    Bij partners die op latere leeftijd gaan scheiden geldt vaak dat de 12-jaars termijn verstrijkt wanneer de betreffende personen dan al lang met pensioen zijn en dat de pensioenverevening de partneralimentatie vaak volledig doorkuist. Als je daar niet bij stil staat, kan dit leiden tot een herzieningsprocedure na enkele jaren en dat is juist iets wat de meeste mensen niet voor ogen hebben. Die willen het juist nu goed regelen voor de toekomst.

    Dus in wezen is het bepalen van een partneralimentatie onlosmakelijk verbonden met het inregelen van de pensioenverevening. Ook hier heeft de financieel deskundige dus gereedschappen om het zo in te regelen, dat beide partners financieel weer verder kunnen.

    De echtelijke woning

    Bij scheidingen op latere leeftijd speelt de echtelijke woning ook een belangrijke rol. Veelal hebben partners langdurig geleefd in de echtelijke woning en ook voor de kinderen is het vaak een vertrouwde basis terug te komen. Veel mensen die gaan scheiden na een langdurig huwelijk, willen dan ook de echtelijke woning behouden. Aangezien in veel gevallen de hypotheek nagenoeg afgelost is, is toedeling van de woning aan een van de partners met daarbij de uitkoop van de andere partner vaak een lastig punt. Dit komt omdat verreweg de meeste banken geen zin hebben om op latere leeftijd iemand op zijn pensioeninkomen te financieren. Maar ook hier is in onderling overleg veel te regelen. Te denken valt aan het schuldig blijven van de uitkoopsom, het verstrekken van vruchtgebruik, het inregelen van testamenten ten behoeve van de overdracht aan de kinderen enzovoorts. Ook hier heeft de financieel deskundige veel mogelijkheden om de gewenste situatie na echtscheiding te kunnen bewerkstelligen.

    Puzzelstukje moeten passen

    Je zult begrijpen dat een echtscheiding op latere leeftijd in wezen een puzzel is waarbij alle stukje moeten passen. Dus als het ene puzzelstukje groter wordt, betekent dat, dat de omliggende puzzelstukjes daarop moeten worden aangepast. Dat vergt expertise van financieel deskundigen die de hele dag niets anders doen dergelijke puzzels volledig te maken.

    Meer informatie

    Als je in de positie verkeert dat je gaat scheiden na een langdurig huwelijk en/of op latere leeftijd, dan doe je er goed aan om een financieel specialist in te schakelen. Iemand die zich volledig focust op alles wat een scheiding aangaat. Emotioneel, financieel fiscaal en juridisch. Ik ben zo’n specialist. Neem gerust eens contact op voor een vrijblijvend kennismakingsgesprek. Dan kunnen we onderzoeken of het klikt en of we elkaar begrijpen.

    Arnoud Oostveen