Auteur: Arnoud Oostveen

  • De ongewenste effecten van de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding

    De ongewenste effecten van de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding

    De Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (VPS) is een wet die ervoor zorgt dat de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten naar redelijkheid en billijkheid worden verdeeld bij scheiding. Op zich zijn er niet veel negatieve aspecten te bedenken van deze wet, maar de wet heeft wel een paar ongewenste effecten. In dit artikel ga ik daar op in.

    Huwelijkse Voorwaarden: “Koude Uitsluiting”

    Echtparen die voor ingang van de Wet VPS in 1994 huwelijkse voorwaarden hebben laten opstellen met als bedoeling “koude uitsluiting” worden door de Wet VPS in wezen gedwongen alsnog een deel van hun vermogen (in dit geval het pensioenvermogen) te verdelen. Althans als één van de partijen een beroep doet op deze wet bij echtscheiding. In wezen is dus te stellen dat de Wet VPS indruist tegen de bedoeling van partijen. Immers tot 1994 gold de uit de rechtspraak volgende pensioenverrekening volgens het arrest van de Hoge Raad van 27 november 1981 (Boon / Van Loon).

    Opvolgende huwelijken: partnerpensioen & lotsverbondenheid

    In artikel 57 van de Pensioenwet, zijn de gevolgen van echtscheiding met betrekking tot het partnerpensioen vastgelegd. In het eerste lid van dit artikel staat het als volgt omschreven: “Indien de partnerrelatie van een deelnemer eindigt door scheiding verkrijgt de gewezen partner van de deelnemer een zodanige aanspraak op partnerpensioen als de deelnemer ten behoeve van die gewezen partner zou hebben behouden indien op het tijdstip van scheiding zijn deelneming zou zijn geëindigd”. Concreet betekent dit, dat het volledig opgebouwde partnerpensioen, dus ook het partnerpensioen dat vóór het huwelijk is opgebouwd, voor de ex-partner is. Met een voorbeeld zal ik het ongewenste effect uitleggen.

    Voorbeeld:

    Bram is pas op latere leeftijd een vrouw tegen gekomen, met wie hij zijn leven wilde delen. Op de leeftijd van 56 jaar gaat hij een geregistreerd partnerschap aan met Irma die dan 47 jaar is. Een half jaar later loopt hun relatie op de klippen en zij laten hun geregistreerd partnerschap ontbinden. Door artikel 57 van de Pensioenwet, krijgt Irma nu een aanspraak op het geheel tot dan toe door Bram opgebouwde partnerpensioen.

    Bram gaat op 59 jaar met pensioen en komt Loes (52) tegen met wie hij kort daarop trouwt. Samen kopen zij een prachtige woning midden in de natuur. Bram heeft een goed pensioeninkomen wat dit mede mogelijk maakt. Bram wordt ziek en de levensverwachting van Bram is niet erg lang. Bram vraagt mij om zijn financiële zaken in kaart te brengen. Ik moet Bram en Loes onaangenaam nieuws brengen. Doordat Bram zijn partnerpensioen, dat hij heeft opgebouwd tot zijn 57e jaar, gereserveerd staat voor Irma, kan zijn huidige vrouw Loes nauwelijks partnerpensioen tegemoet zien indien Bram zou komen te overlijden. Voor Loes, die financieel afhankelijk is van Bram, betekent dit dat zij na het overlijden van Bram de woning direct zal moeten gaan verkopen.

    Bram en Loes hebben aan mij gevraagd wat zij aan deze ongewenste situatie kunnen doen. Immers Bram en Loes zijn voor elkaar bestemd en financieel afhankelijk van elkaar. Irma, met wie Bram slechts een half jaar samen is geweest, ontvangt na het overlijden van Bram nagenoeg al zijn partnerpensioen, terwijl er op geen enkele wijze sprake is van enige lotsverbondenheid. Irma is jonger dan Bram, heeft altijd een eigen inkomen gehad en is bovendien hertrouwd.

    Ik besluit daarop een brief aan Irma te schrijven, waarin ik de situatie uitleg en waarbij ik haar er op wijs dat de reservering van de partnerpensioenen over en weer geldt. Ik vraag haar namens Bram om een overeenkomst te ondertekenen waarin partijen verklaren over en weer af te zien van elkaars partnerpensioen. Irma heeft per brief laten weten niet mee te willen werken.

    Wetswijziging gewenst

    Bram is ten einde raad en besluit zich te wenden tot de vakbonden en politieke partijen. Maar tot op heden is er niets gedaan aan deze naar zijn mening “rechtsongelijkheid”. Ik deel deze mening van Bram.

    Ik roep dan ook de politiek op, om iets te gaan doen aan deze ongewenste effecten van de Wet VPS. Deel dit artikel, zodat een beweging op gang komt om de wet aan te passen tegen deze ongewenste effecten.

    Gratis E-book “All about Money”

    Wil je meer weten over pensioen bij scheiding? Vraag dan mijn gratis e-book “All about Money” hieronder aan. Je ontvangt na het aanvragen het e-book direct per e-mail.

    Natuurlijk kun je mij ook even bellen of mailen met je vraag op 088 61 61 000 of office@arnoudoostveen.nl. Doe het gerust, het verplicht je tot niets.

    Ing. Arnoud P.H. Oostveen FFP

    Relevante links:

    Gehuwd met huwelijksvoorwaarden

  • Scheiden? Huis verkopen meestal niet nodig!

    Scheiden? Huis verkopen meestal niet nodig!

    Bij scheidingen speelt wat betreft de financiën, de koopwoning vaak een hoofdrol. Moet de woning verkocht worden, of kan één van jullie er na de scheiding in blijven wonen? Wat daarbij van belang is, is dat de hypotheekrente na scheiding volledig aftrekbaar blijft. En dat is niet zo simpel, juist omdat banken in veel gevallen niet meewerken. Maar gelukkig is er een uitkomst: de “overdracht van de economisch eigendom” van de woning. Hierdoor kan één van de partners toch betaalbaar blijven wonen.

    Er zijn veel redenen waarom na een scheiding één van de partners in de gezamenlijke woning wil blijven wonen. Het kan daarbij gaan om rust te bieden aan de kinderen, zodat deze hun vertrouwde woonplek behouden. Ook speelt de huidige woningmarkt een grote rol. De betaalbaarheid van de hypotheeklasten is vaak niet het probleem. Door de lage marktrente is de netto hypotheeklast meestal lager dan je kwijt zou zijn aan een huurwoning.

    Hypotheek en hypotheekrente

    Op het moment dat je het voornemen om te blijven wonen met de bank bespreekt, loopt het daar nogal eens spaak. Door bankregels wil de bank niet meewerken aan het schrappen van de andere partner als hoofdelijk schuldenaar. Hierdoor is het overnemen van de woning door jou niet mogelijk. In dergelijke gevallen lijken het samen aanhouden van de woning of verkoop van de woning de enige opties. Het grote nadeel hiervan is het verlies van hypotheekrenteaftrek na verloop van tijd. De Wet op de Inkomstenbelasting 2001 kent een tijdelijke regeling in geval van echtscheiding. Deze houdt in dat voor de vertrekkende partner de hypotheekrente nog maximaal 2 jaar na vertrek aftrekbaar blijft. Daarna vervalt de aftrek en stijgen de hypotheeklasten aanzienlijk waardoor het blijven wonen van één van de partners financieel gezien veel moeilijker wordt.

    Overdracht Economisch Eigendom

    Om het verlies van hypotheekrenteaftrek te voorkomen en de betaalbaarheid te kunnen waarborgen, kun je overwegen om “de economische eigendom” over te dragen. Het voordeel van overdracht van de economische eigendom is, dat de hypotheekrente voor jou volledig aftrekbaar wordt en dat de jullie nu met elkaar kunnen afrekenen. Dit kunnen jullie in een speciaal fiscaal convenant regelen, zonder dat de bank daartoe toestemming hoeft te geven.

    Nadeel Overdracht Economisch Eigendom

    Een nadeel is dat de vertrekkende partner, door het niet willen meewerken van de bank, hoofdelijk schuldenaar blijft voor de hypotheek. Verbintenisrechtelijk kan de bank jullie beiden blijven aanspreken op de gehele hypotheekverplichting. Welke afspraak jullie daarover ook in het convenant opnemen (zoals elkaar voor deze aanspraken vrijwaren). Jullie afspraak is niet bindend naar de bank toe. Het is dus belangrijk om een goede afweging te maken over de risico’s voor jullie beiden. In ieder geval is het belangrijk om je goed te laten informeren en te adviseren.

    Deze bijzondere maatwerkafspraak vergt specialistische fiscale en juridische kennis. Ik kan je daarbij helpen.

    Gratis E-book “All about Money”

    Wil je meer weten over hoe je om kunt gaan met de koopwoning bij je scheiding? Vraag dan mijn gratis e-book “All about Money” hieronder aan. Je ontvangt na het aanvragen het e-book direct per e-mail.

    Natuurlijk kun je mij ook even bellen of mailen met je vraag op 088 61 61 000 of office@arnoudoostveen.nl. Doe het gerust, het verplicht je tot niets.

    Ing. Arnoud P.H. Oostveen FFP

  • Alimentatiedrama door recente uitspraak Hoge Raad!

    Alimentatiedrama door recente uitspraak Hoge Raad!

    Alimentatiedrama door recente uitspraak Hoge Raad!

    Dat alimentatie al geen fijn bespreekonderwerp is, is iedereen bekend. Maar nu de Hoge Raad zich op 7 juli jongstleden heeft uitgesproken over de vraag op welke wijze de partneralimentatie moet worden berekend, slaan bij alle deskundige rekenaars de stoppen door. Bovendien leidt deze uitspraak tot veel rechtsonzekerheid en ook bestaande alimentaties kunnen opnieuw onderwerp van discussie worden. Vele procedures liggen op de loer. In dit artikel bespreek ik de situatie die is ontstaan en welke invloed die zal hebben op de praktijk.

    Waar gaat het om?

    Voor de bepaling van de behoefte aan kinder- en partneralimentatie werd en wordt gekeken naar het welstandsniveau tijdens het huwelijk c.q. de relatie. Dit is het netto gezinsinkomen waar de partners en de kinderen van hebben geleefd. Dit is voor mensen met een vaste baan niet zo lastig te berekenen. Voor ondernemers kan dit lastiger zijn, omdat die naast een salaris ook andere inkomsten kunnen hebben uit een onderneming. Het welstandniveau is maatgevend voor de behoefte aan kinder- en partneralimentatie.

    Nadat de behoefte is berekend, wordt gekeken in welke mate in die behoefte kan worden voorzien en door welke partner. En juist deze bepaling heeft de afgelopen jaren geleid tot meerdere aanpassingen in de berekeningsmethodiek wat heeft geleid tot verschillende uitspraken in procedures. Om meer zekerheid te krijgen over de berekeningswijze zijn op 9 oktober 2015 vragen beantwoord door de Hoge Raad over hoe om te gaan met het kindgebonden budget ter bepaling van de kinderalimentatie. Dat dit kindgebonden budget een belangrijke rol speelt in alimentatieberekeningen is gelegen in de hoogte van het bedrag dat kan oplopen tot circa € 460,– netto per maand. Onlangs, op 7 juli 2017 heeft de Hoge Raad nieuwe vragen beantwoord over hoe om te gaan met het kindgebonden budget ter bepaling van de partneralimentatie. De antwoorden van de Hoge Raad zijn op zijn zachts gezegd opmerkelijk te noemen en zullen leiden tot de nodige herzieningsprocedures.

    Historie

    Als de behoefte aan kinder- en partneralimentatie is vastgesteld, wordt gekeken naar de draagkracht van de partners. De draagkracht is dat deel van het inkomen, dat iemand volgens de alimentatienormen kan besteden aan kinder- en partneralimentatie. Tot 2013 was het zo, dat werd gekeken naar de werkelijke lasten voor wonen, ziektekosten enzovoorts bij de bepaling van de draagkracht.

    2013

    Vanaf 2013 is het rekensysteem voor wat betreft de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie sterk vereenvoudigd, omdat vanaf dat moment werd gerekend met een vaste rekenformule, waardoor de werkelijke lasten geen onderwerp van discussie meer zouden vormen. Een van de belangrijkste nadelen van deze vaste rekenformule is, dat in de rekenformule wordt uitgegaan van woonlasten ter grootte van 30% van het netto inkomen. In heel veel gevallen zijn die woonlasten (zeker nu met de lage rente) in werkelijkheid aanzienlijk lager, zodat de uit de rekenformule volgende draagkracht veel lager is, dan praktisch gezien reëel zou zijn. Aan de andere kant zorgt deze vaste rekenformule wel voor veel minder discussie over welke kosten je nu wel of niet ten laste mag brengen van de draagkracht ter bepaling van de hoogte aan kinderalimentatie.

    2015

    Tot 2015 kreeg de alleenstaande ouder waar een minderjarig kind stond ingeschreven enkele fiscale voordelen, waaronder de alleenstaande ouderkorting. Bij politiek besluit is toen bepaald, dat het aantal “kindgebonden regelingen” moest worden teruggebracht c.q. moest worden vereenvoudigd. Vele kindgebonden regelingen zijn toen opgenomen in het “kindgebonden budget”. Tot 2015 gold, dat voor de bepaling van de draagkracht van een ouder werd gekeken naar het netto inkomen, inclusief alle fiscale voordelen. Dus ook de fiscale voordelen volgend uit het alleenstaande ouder zijn.

    Door deze wetswijzigingen zijn in 2015 de alimentatienormen aangepast. Er werd voor wat betreft de behoefte van de kinderen de volgende rekensystematiek gehanteerd: de behoefte van de kinderen minus het te ontvangen kindgebonden budget was het bedrag dat beide ouders naar draagkracht moesten bijdragen. Deze rekenmethodiek kon reken op een forse kritiek, omdat dit een aanzienlijke verslechtering betekende voor de alimentatiegerechtigde. Die raakte immers door de wetswijzigingen de fiscale voordelen kwijt en kreeg ervoor terug het kindgebonden budget dat geacht werd aan de kinderen te worden besteed. Hierdoor kon de kinderalimentatie aanzienlijk lager uitpakken. Een voorbeeld uit de praktijk: de behoefte van een kind was € 350,– per maand. De vader betaalde tot 2015 € 250,– kinderalimentatie. Na herberekening volgens de normen 2015 gold: behoefte kind € 350,– minus te ontvangen kindgebonden budget € 350,– betekende geen aanvullende behoefte meer, dus nihil kinderalimentatie!

    De rekenaars op dit gebied fronste de wenkbrauwen. Want het kindgebonden budget was een vervanging van de eerdere fiscale voordelen en waarom zou dit dan moeten leiden tot een andere benadering van de kinderalimentatie dan voorheen het geval was. Ook de rechtbanken zaten hiermee in hun maag en bij verschillende rechtbanken werd hier verschillend mee omgegaan. Om aan deze rechtsonzekerheid een einde te maken zijn er “prejudiciële vragen” gesteld aan de Hoge Raad die zijn beantwoord op 9 oktober 2015. De Hoge Raad heeft toen bepaald dat het kindgebonden budget moest worden meegenomen in de draagkracht van de ontvangende ouder en niet in mindering moest worden gebracht op de aanvullende behoefte van het kind op kinderalimentatie.

    Al met al betekende dit, dat de behandeling van het fiscale voordeel van de alleenstaande ouder, weer in lijn kwam te liggen met de eerdere jaren. Eenvoudig gezegd betekent het ontvangen van kindgebonden budget een hoger besteedbaar inkomen dus een hogere draagkracht. Het komt dus primair ten goede aan de (meestal) alimentatiegerechtigde en secundair aan de alimentatieplichtige die door de hogere draagkracht van de alimentatiegerechtigde zelf minder hoefde bij te dragen.

    Deze wetswijzigingen hebben begin 2015 geleid tot een flinke toename van herzieningsprocedures. De alimentatieplichtige kon rekenen op een aanzienlijke verlaging van de kinderalimentatie, die de kosten van een herzieningsprocedure rechtvaardigde. Later dat jaar bleek, dat eerdere uitspraken ten voordele van de alimentatieplichtige, weer terug konden gedraaid door de uitspraak van de Hoge Raad. De rechtsonzekerheid zit hierin, dat afhankelijk van het jaar van scheiden (of het opleggen van een kinderalimentatie), je enorme verschillen ziet. Eigenlijk kun je zeggen dat je een scheiding had kunnen plannen als je zou weten in welk jaar je met de dan geldende berekeningswijze beter uit zou zijn. Naar mijn mening zou aan deze rechtsonzekerheid echt een keer een einde moeten komen. Maar het is nog niet voorbij, het drama wordt steeds groter.

    2017

    Door de uitspraak van de Hoge Raad in 2015, werd dus duidelijk dat het kindgebonden budget zorgde zoor een hoger besteedbaar inkomen van de alimentatiegerechtigde en dat dit geld niet rechtstreeks diende ter bestrijding van de financiële behoefte van de kinderen. Ofwel, de alimentatiegerechtigde hield zelf meer over om van te leven.

    Ook deze kwestie is door doortastende advocaten in procedures naar voren gebracht. Daarbij was de vraag of de alimentatiegerechtigde met het kindgebonden budget zelf meer in de eigen behoefte kan voorzien. De alimentatiegerechtigde stelde daarbij uiteraard van niet, omdat die aanvoerde dat het ontvangen kindgebonden budget een “subsidiair” karakter heeft in lijn van een uitspraak van de Hoge Raad van 27 januari 1995 waarin de Hoge Raad heeft bepaald dat het ontvangen van huurtoeslag voor het vaststellen van de behoefte aan een aanvullende partneralimentatie buiten beschouwing moet worden gelaten.

    2017: Hoge Raad

    Omdat verschillende rechtbanken bij de bepaling van de partneralimentatie verschillende standpunten innamen met betrekking tot het kindgebonden budget, zijn ter voorkoming van rechtsonzekerheid wederom prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad, die de Hoge raad op 7 juli 2017 heeft beantwoord. Kort gezegd komt het erop neer dat de Hoge Raad meent dat het kindgebonden budget buiten beschouwing moet worden gelaten bij de bepaling van de hoogte van partneralimentatie. De Hoge Raad stelt letterlijk “dat het kindgebonden budget ertoe strekt gezinnen met lagere inkomens een bijdrage te verstrekken in de kosten van de tot het gezin behorende kinderen”. En toen sloegen bij de rekenaars op dit gebied de stoppen door. Want waar in 2015 de Hoge Raad heeft besloten dat het kindgebonden budget niet primair bestemd was ter bestrijding van de financiële behoefte van de kinderen, zegt de Hoge Raad nu eigenlijk dat het kindgebonden budget wel dient ter bestrijding van de kosten van de kinderen. Kunt u het nog volgen?

    Want de laatste uitspraak van de Hoge Raad volgend, zou men ook weer kunnen stellen dat het kindgebonden budget in mindering komt op de financiële behoefte van de kinderen, dus ook op de kinderalimentatie.

    Financiële ongelijkheid

    De laatste uitspraak van de Hoge Raad, brengt met zich mee dat de alimentatiegerechtigde die kindgebonden budget ontvangt, per saldo meer te besteden kan hebben dan haar behoefte groot is. Dit omdat de partneralimentatie nu dient te worden bepaald zonder rekening te houden met een vaak flink bedrag aan kindgebonden budget. Bovendien kan gelden dat de alimentatiegerechtigde meer te besteden heeft dan de alimentatieplichtige. En dat is nu juist iets dat de alimentatienormen middels de rekenkundig corrigerende “jusvergelijking” tracht te voorkomen. Dit alles zal gaan leiden tot de strijd bij wie de kinderen ingeschreven zullen gaan staan. Want het kindgebonden budget blijft toch buiten beschouwing, maar geeft wel een aanzienlijk hogere besteedbaar inkomen.

    De praktijk anno 2017

    Wanneer stellen uit elkaar gaan middels bemiddeling, dan zal de bemiddelaar aandacht moeten schenken aan de uitspraken van de Hoge Raad. Een belangrijk onderwerp op de bespreekagenda zal dan moeten worden: bij wie worden de kinderen ingeschreven en wie gaat het kindgebonden budget ontvangen. Daarnaast wordt de vraag dan weer relevant wat er wordt gedaan met het kindgebonden budget. In mijn praktijk speel ik nu al in op de ontwikkelingen. Cliënten kiezen er vandaag de dag al voor, om het te ontvangen kindgebonden budget aan te wenden voor de bestrijding van de kosten van de kinderen. Dus eigenlijk conform de methode van begin 2015.

    In zaken waar partijen niet meer in overleg zijn, zullen de uitspraken van de Hoge Raad aanleiding geven tot nog meer gedoe en rechtsonzekerheid. Want hoe gaat de rechter nu beslissen als de alimentatiegerechtigde aantoonbaar meer besteedbaar gaat overhouden dan de alimentatieplichtige? Daarbij zal naar verwachting een onderdeel van de strijd de inschrijving van de kinderen worden.

    Daarnaast lopen recente uitspraken van rechtbanken vooruit op mogelijke toekomstige wetswijzigingen. In veel gevallen wordt van de alimentatiegerechtigde verwacht dat zij in eigen levensonderhoud gaat voorzien of kan voorzien. Juist nu er in het huidige economische klimaat goede mogelijkheden zijn om aan werk te komen. Langdurige en hoge bedragen aan partneralimentatie worden niet vaak meer toegekend.

    Door de recente uitspraak van de Hoge Raad is er weer meer bodem voor gedoe om hogere partneralimentaties en meer rechtsonzekerheid. Bovendien zal het voor veel alimentatieplichtige onverteerbaar zijn, als door de toepassing van de uitspraak van de Hoge Raad, de thuiszittende ex-partner maandelijks meer te besteden overhoudt dan de fulltime werkende alimentatieplichtige. En door de strijd bij wie de kinderen ingeschreven staan wordt in wezen de scheiding weer over de rug van de kinderen uitgespeeld. De Hoge Raad heeft die groep in elk geval geen dienst bewezen met haar uitspraak.

    Meer weten: “All about Money”

    Als je meer wilt weten over alle (financiële) onderwerpen die bij een scheiding aan de orde komen, kun je hieronder mijn e-book “All about Money” kosteloos aanvragen. Je ontvangt het e-book per e-mail.

    ©Ing. Arnoud P.H. Oostveen FFP | Scheidingszaken

     

     

  • De ondernemer in scheiding | BNR Nieuwsradio

    De ondernemer in scheiding | BNR Nieuwsradio

    Samen met Alexander Leuftink (bestuurslid vFAS) was ik te gast in het radioprogramma “Juridische Zaken” op BNR Nieuwsradio.

    Uitzending gemist? Luister het hier terug.

  • Behoefte aan partneralimentatie onvoldoende onderbouwd

    Behoefte aan partneralimentatie onvoldoende onderbouwd

    Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 23 mei 2017 een uitspraak gedaan (ECLI:NL:GHAMS:2017:1932) die van belang is voor de alimentatie verzoekende partner. De kern van deze zaak is dat de vrouw onvoldoende haar behoefte aan partneralimentatie heeft onderbouwd. Bovendien heeft de rechter rekening gehouden met de verdiencapaciteit van de vrouw, waardoor de eerder door de man betaalde partneralimentatie door de vrouw aan de man moet worden terugbetaald.

    Overwegingen gerechtshof

    Het gerechtshof overweegt als volgt: “De hoogte van behoefte van de vrouw is mede gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van die behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten – en gelet op de welstand redelijke – kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald. Door bij de berekening daarvan enkel uit te gaan van 60% (hofregel) van het gezamenlijk gezinsinkomen dat partijen aan het einde van het huwelijk vergaarden, miskent de vrouw dat zij haar welstandsgerelateerde behoefte dient te stellen en bij betwisting te onderbouwen.

    Het hof stelt voorts vast dat de advocaat van de vrouw ter terechtzitting in hoger beroep uitdrukkelijk heeft verklaard zich niet te verzetten tegen de door de rechtbank aangenomen verdiencapaciteit van de vrouw van € 1.524,60 bruto (€ 1.490,- netto) per maand. Deze eigen verdiencapaciteit staat dan ook vast in hoger beroep. Tegen die achtergrond is het hof van oordeel dat de vrouw, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, haar (aanvullende) behoefte onvoldoende heeft onderbouwd. Anders dan de vrouw meent, volstaat de enkele verwijzing naar het gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk onder deze omstandigheden niet. Het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een door de man te betalen alimentatie zal dan ook worden afgewezen. De overige stellingen van de man betreffende de behoefte van de vrouw behoeven daarmee geen bespreking meer. Datzelfde heeft te gelden voor zijn (voorwaardelijke) grief inzake zijn draagkracht. Nu geen uitkering wordt vastgesteld, komt het hof evenmin toe aan het verzoek van de man tot limitering van de uitkering. Gelet op het voorgaande kan het hof niet anders beslissen dan dat de vrouw het door de man teveel betaalde dient terug te betalen.

    Beschouwingen

    Uit deze en eerdere uitspraken is te herleiden, dat de alimentatie verzoekende partner goed moet onderbouwen waarom hij of zij meent behoefte te hebben aan partneralimentatie. Bovendien zie je in recente uitspraken dat rechters steeds meer kijken naar de verdiencapaciteit van de alimentatie verzoekende partner. De gedachte dat de rechter automatisch aansluit bij de 60% hofregel en de partneralimentatie voor 12 jaar vaststelt is dus een onjuiste gedachte.

    Ook in bemiddelingstrajecten en bij overlegscheidingen zal dan ook moeten worden doorgevraagd over de werkelijke behoefte en de verdiencapaciteit van de alimentatie verzoekende. Dit zijn niet de meest leuke onderwerpen, maar wel vanuit de rechtspraak bezien hele relevante onderwerpen.

    ing. Arnoud P.H. Oostveen FFP
    6 juni 2017

  • Blijven wonen of verkopen

    Blijven wonen of verkopen

    Bij scheidingen speelt wat betreft de financiën, de eigen woning meestal de hoofdrol en dit is momenteel een behoorlijke kopzorg. Moet de woning verkocht worden, of kan één van de partners na de scheiding in de woning blijven wonen? Wat daarbij van belang is, is dat de hypotheekrente na scheiding volledig aftrekbaar blijft. En dat is niet zo simpel, juist omdat banken in veel gevallen niet meewerken. Maar gelukkig is er een uitkomst voor veel scheidende partners: overdracht van de economisch eigendom van de woning. Hierdoor kan één van de partners toch betaalbaar blijven wonen.

    Er zijn veel redenen waarom na scheiding één van de partners in de gezamenlijke woning wil blijven wonen. Het kan daarbij gaan om rust te bieden aan de kinderen, zodat deze hun vertrouwde woonplek behouden. Ook speelt de huidige woningmarkt een grote rol. Veel huizen zijn niet snel te verkopen en zeker niet tegen een goede prijs. De betaalbaarheid van de hypotheeklasten is vaak geen probleem. Door de lage marktrente is de netto hypotheeklast meestal lager dan men kwijt zou zijn aan een huurwoning.

    Hypotheek en hypotheekrente

    Op het moment dat één van de partners het voornemen om te blijven wonen met de bank bespreekt, loopt het daar nogal eens spaak. Door bankregels wil de bank niet meewerken aan ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vertrekkende partner. Hierdoor is het overdragen van zijn of haar aandeel in de eigendom aan de achterblijvende partner niet mogelijk. In dergelijke gevallen lijken het samen aanhouden van de woning en verkoop van de woning de enige opties. Het grote nadeel hiervan is het verlies van hypotheekrenteaftrek na verloop van tijd. De Wet op de Inkomstenbelasting 2001 voorziet in een tijdelijke regeling in geval van echtscheiding. Deze houdt in dat voor de vertrekkende partner de hypotheekrente nog maximaal 2 jaar na diens vertrek aftrekbaar blijft; daarna vervalt de aftrek en stijgen de hypotheeklasten aanzienlijk waardoor het blijven wonen van één van de partners zeer moeilijk wordt.

    Overdracht Economisch Eigendom

    Om het verlies van hypotheekrenteaftrek te voorkomen en de betaalbaarheid te kunnen handhaven, kan worden overwogen de economische eigendom over te dragen. Het voordeel van overdracht van de economische eigendom is, dat de hypotheekrente voor de achterblijvende partner volledig aftrekbaar wordt en dat de partners nu met elkaar kunnen afrekenen. Dit kunnen de partners in een convenant regelen, zonder dat de bank daartoe toestemming hoeft te geven. Daarvoor is het wel van belang om de afspraken op juiste wijze vast te leggen, zodat voor de fiscus duidelijk is dat het om een overdracht gaat van ten minste de economische eigendom, zodat de achterblijvende partner de volledige hypotheekrente kan aftrekken.

    Voldaan moet worden aan een aantal voorwaarden, waaronder:

    • De woning dient de achterblijvende partner als hoofdverblijf ter beschikking te staan;
    • De achterblijvende partner dient de voordelen van de woning te genieten;
    • De achterblijvende partner dient de kosten en lasten van de woning te dragen;
    • De waardeveranderingen van de woning gaan de achterblijvende partner grotendeels aan.

    Het Gerechtshof Amsterdam heeft onlangs uitspraak gedaan in een kwestie omtrent de aftrekbaarheid van hypotheekrente bij de toedeling van een woning. Daarbij is in hoger beroep vast komen te staan, dat indien de economische eigendom is toegedeeld aan één van de partners, deze partner ook de volledige hypotheekrente kan aftrekken.

    Nadeel Overdracht Economisch Eigendom

    Een nadeel is dat de vertrekkende partner, door het niet willen meewerken van de bank, hoofdelijk schuldenaar blijft voor de hypothecaire geldlening. Verbintenisrechtelijk kan de bank zich blijven verhalen op zowel de achterblijvende partner als op de vertrekkende partner. Welke afspraak de partners daarover ook in het convenant opnemen (zoals elkaar voor deze aanspraken vrijwaren), deze onderlinge afspraak is niet bindend naar de bank toe. Het is dus van belang een goede afweging te maken omtrent de risico’s voor zowel de achterblijvende partner als de vertrekkende partner. In ieder geval is het van belang om u goed te laten informeren en adviseren en in een convenant de regeling goed vast te leggen.

    Hypotheekaanpassing

    Door de aangescherpte fiscale aflossingseis dient bij de overdracht zoals hiervoor bedoeld, in veel gevallen de hypotheek te worden aangepast. Het gaat daarbij om hypotheekvormen waar nu niet op wordt afgelost. In dergelijke gevallen geldt dat tenminste een deel van de hypotheek op annuïteitenbasis zal moeten worden afgelost.

  • Beperking van de wettelijke gemeenschap van goederen

    Beperking van de wettelijke gemeenschap van goederen

    Als je getrouwd bent (of een geregistreerd partnerschap bent aangegaan) gelden de wetsartikelen die zijn opgenomen in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. In artikel 1:94 BW staat: “van het ogenblik der voltrekking van het huwelijk bestaat tussen de echtgenoten van rechtswege een gemeenschap van goederen”.

    Op 28 maart 2017 is het wetsvoorstel “beperking van de wettelijke gemeenschap van goederen” door de Eerste Kamer aangenomen. Dit betekent dat voor huwelijken en geregistreerd partnerschappen die worden gesloten vanaf 1 januari 2018 gewijzigde wetgeving geldt.

    Huidige situatie

    Het huidige artikel 1:94 BW zorgt ervoor dat alle voorhuwelijkse bezittingen en schulden van de echtgenoten en alle bezittingen en schulden die zij tijdens het huwelijk hebben verkregen in de gemeenschap van goederen vallen. In geval van een echtscheiding worden alle bezittingen en schulden bij helfte verdeeld. Een uitzondering daarop is ondermeer een schenking of erfenis die ”onder uitsluiting” is verkregen.

    Nieuwe situatie

    Met ingang van de gewijzigde wet per 1 januari 2018, ontstaat bij het aangaan van het huwelijk of een geregistreerd partnerschap een beperkte gemeenschap van goederen. Bezittingen en schulden die de echtgenoten voor het aangaan van het huwelijk al hadden blijven privé. Alleen de bezittingen en schulden die tijdens het huwelijk worden verkregen worden gemeenschappelijk en dienen in geval van een echtscheiding te worden verdeeld.

    Impact

    Ik verwacht dat deze gewijzigde wetgeving gaat leiden tot meer gedoe bij echtscheidingen. Zo zullen de echtgenoten bij aanvang van hun huwelijk goed moeten administreren wat zij aan bezittingen en schulden hebben. Ook zullen de echtgenoten periodiek bij elkaar moeten gaan zitten om zo de mutaties te bespreken en vast te leggen. En of het bijhouden van een administratie genoeg zal zijn is nog maar de vraag. De rechtspraak zal zich ook daarover nog moeten gaan uitspreken.